A'RIVE is een nieuw Brussels bouwproject van Immobel en BPI. De buurt aan de Vaartdijk wilt zich ontpoppen tot een levendige woonwijk. Vriendschappen zullen worden gesmeed, kinderen zullen belleketrek doen en het kanaal zal gretig worden bewonderd vanuit de begeerde balkons. Vijf gebouwen krijgen een naam. Zij zijn het kloppend hart van de buurt, een droom om in te wonen. Eén van de gebouwen wordt naar mij vernoemd. Mijn man is altijd iets meer verliefd geweest op Jamila dan op Jamie. Als creatief directeur kan hij nogal romantisch uit de hoek komen. Jamila wordt een personage: een "nieuwe" buurtbewoonster die komt settelen met haar gezin. Ik schreef haar verhaal:
Het verlangen om ooit terug te keren naar deze buurt bleef als een waakvlam branden in mijn hart. Ik was zeven maanden zwanger toen we verhuisden naar ons nieuwbouwappartement. De makelaar had opgeschept over de geweldige reputatie van een kinderopvang in de wijk. Tijdens onze verhuis pleegde ik een onstuimig telefoontje naar deze crèche. Als bij wonder kon ik meteen langskomen voor een kennismakingsgesprek. Mijn handtas liet ik thuis, want ik sleurde al genoeg gewicht mee. Op weg naar mijn afspraak zag ik het kanaal glinsteren, alsof er vallende sterren onder het wateroppervlak woonden. Ik wenste dat er nog een plaats zou zijn. Voor zover ik wist, waren er wachttijden en had ik eerder moeten bellen. Bij aankomst werd ik onthaald door een ervaren kinderbegeleidster. Ze lachte amper, maar als ze lachte, deed ze dat met heel haar gezicht. Het gesprek voelde hartelijk en oprecht aan. Van zodra er een overzicht van de planning was, zou ze me op de hoogte brengen. Een automatische deur viel achter me in het slot en het geluid van uitbundige kinderen galmde na. Ik beeldde me in hoe onze zoon hier zou dansen op de zachte tonen van de verzorgsters. Op de terugweg naar huis besloot ik langs de supermarkt te gaan. Een kant-en-klare maaltijd was het enigste dat ik kon verzinnen. Alle kamers in mijn hoofd waren volzet en de keuken was gesloten.
Aan de kassa tokkelde de kassierster ongeduldig met haar vingers. Terwijl ze wachtte op de handeling van mijn betaling, zocht mijn hand blind naar los zakgeld. Ik hoorde haar getokkel niet meer, maar voelde de cadans ervan op me af komen. Het nam me mee als een stille tornado. Mijn hand tastte onrustig verder. De katoenen binnenvoering van mijn rechterjaszak was veranderd in een wollige textuur. Ook de inhoud ervan leek niet aan mijn verwachtingen te voldoen. Ik heb altijd de neiging gehad om dingen bij te houden. Allerlei prullaria vulden mijn zakken: kassatickets, balpennen, een mooi gevormde steen, een zakje sojasaus ... Deze binnenkant was zo goed als leeg. Pas toen ik een blik wierp op de inhoud van mijn hand, had ik door dat ik een geheel andere jas aan had. Een jas die niet van mij was en ook niet van iemand die ik kende. Het was een donkerblauw tijdloos model, gemaakt uit merino wol of kasjmier. Het had een lengte tot net boven de knie en de voorkant had een verborgen knoopsluiting. Deze jas was stijlvoller dan de mijne en leek uit een boetiek van de Dansaert wijk te komen. Buiten de kleur had het niets gemeen met mijn jas. Ben ik nu helemaal gek geworden?, dacht ik terwijl het rood op mijn wangen verscheen. Waarschijnlijk had ik na het gesprek in de crèche, de verkeerde jas genomen. Hoe heb ik dat in godsnaam niet opgemerkt? Mijn aandacht keerde terug naar de palm van mijn hand, daarin lag een opgefrommeld briefje. Op het eerste zicht leek het een oud boodschappenlijstje, maar toen ik het briefje glad streek voelde ik mijn onderkaak zwaar worden van verbazing ...
In grote drukletters las ik:
JAMILA
25.05.22
17u30
SUPERMARKT VAARTDIJK
Jamila is een Arabische meisjesnaam en betekent: “mooi zijn”, “vriendelijk zijn.”
Mijn mama had de naam pas gekozen op het moment dat ik geboren werd. Toen ze mijn bol hoofdje en grote ogen zag, wist ze dat dit mijn naam ging worden. De verpleegsters in het Erasmusziekenhuis waren het er over eens dat ik een Jamila was. De focus van mijn ogen verplaatste zich van het briefje naar het scherm van de kassa. Daarop gaf de klok in lichtgevende cijfers 17:30 weer. Vandaag is het 25 mei, overtuigde ik mezelf. De dag van onze verhuis, de dag van mijn afspraak in de crèche. Ik ben er vrij zeker van dat deze informatie klopt. Ja, het is 25 mei, het is 17u30 en ik sta in de supermarkt op de Vaartdijk, herhaalde ik in mezelf. Op dat moment begon ik het getokkel van de kassierster te horen. Het klonk als tromgeroffel dat een belangrijk moment zou aankondigen. Maar er kwam geen aap uit de mouw, geen moment suprême, of een ander spreekwoordelijk “aha” moment.
‘Madame? Kstoené pracees voe den ond zaan kluute*,’ zei de kassierster geïrriteerd.
Ze klonk als een echte Brusseleir, waardoor ik haar niet onsympathiek kon vinden. Ik wou altijd een echt ketje zijn, maar mijn ouders waren hier niet geboren en getogen. Als één van je ouders niet in Brussel geboren was, dan ben je een “zinneke”. Dat had ik in het eerste leerjaar geleerd, bij monsieur Sobol in het Atheneum Royal Leonardo Da Vinci. Toch gaf hij mij altijd het gevoel dat ik erbij hoorde. Voor monsieur Sobol waren al zijn leerlingen ketjes.
‘Goh, ja, sorry,’ klungelde ik verder.
‘Ik ben blijkbaar mijn portefeuille vergeten in een andere jas. Zou ik dit even opzij mogen leggen?’
Nog voor ze haar ergernissen verder kon uiten stond ik voor de deur van de supermarkt. Toen ik het briefje buiten verder inspecteerde zag ik hoe de A iets te dicht tegen de medeklinkers was geschreven. Er was iets met deze onregelmatigheid dat vertrouwd aanvoelde. Door de dramatische lussen van het getal twee, bezat het geschrift een vrouwelijke schrijfstijl. Waarschijnlijk was het briefje geschreven door de eigenares van de jas. Verder kon ik er niets uit opmaken. Plots hoorde ik in de verte iemand mijn naam roepen. Ik spitste mijn oren om het geluid te kunnen volgen. De intonatie van de stem deed me afdwalen naar een verre herinnering:
Het was de eerste schooldag van het eerste leerjaar en Judy maakte haar entree als nieuwe klasgenoot. Ze droeg een prachtig kleurrijk kleed met een etnische print. Haar haren waren ingevlochten en er waren twee dotjes zorgvuldig op haar hoofd geplaatst. In elke dot was een fel roze lint verwerkt. Je kon haar met niemand vergelijken. Haar huid, glanzender en donkerder dan ik bij andere kinderen had gezien, trok mijn aandacht. Tijdens de speeltijd vroeg ik of ze uit chocolade was gemaakt. Haar lach schaterde over de hele speelplaats. Het was de leukste lach die ik ooit had gehoord. Judy’s lach was zo besmettelijk als niezende Noah, die bijna altijd verkouden rondliep in een outfit dat uit vele laagjes bestond.
‘Mama zegt dat iedereen vooral uit water is gemaakt,’ antwoordde ze.
‘Mag ik je lekken?’ vroeg ik met mijn kinderhart op de tong.
‘Ok!’ zei ze geamuseerd.
Zonder aarzelen likte ik haar wang van onder naar boven, zoals een bolletje lievelingsijs op een hoorn.
‘En?’ vroeg ze nog gniffelend.
‘Nee, geen chocolade, je mama had gelijk,’ zei ik teleurgesteld.
‘Mama’s hebben altijd gelijk,’ probeerde ze me te troosten.
‘Wil je mijn vriendin zijn? Ik heet Judy, wat is jouw naam?’
‘Mijn naam is Jamila. Ja, ik wil jouw vriendin zijn.’
‘Wat een mooie naam,’ zei Judy. Ze deed luidop haar best om mijn naam correct uit te spreken: ‘JJJemila, DJamilla …’
Vanaf die dag waren wij beste vriendinnen. We groeiden samen gelukkig op in deze buurt. We konden uren chillen in het Crickxpark of namen tram 81 naar het Skatepark des Ursulines. Judy kon als eerste meisje de Ollie doen. Zij was onbevreesd en ik keek naar haar op. Nadat haar ouders besloten terug te keren naar Amsterdam, verwaterde onze vriendschap. We waren amper veertien. Buiten Judy heb ik nooit een hartsvriendin gehad.
Daar was ze dan, twintig jaar later. Ze leek nog even onbevreesd, met een stevige pas kwam ze op me af. Ik voelde niet de neiging om uit de weg te gaan. Op een gegeven moment stond ze bijna voor mij. Ik had haar spiegelbeeld kunnen zijn, maar ze herkende me niet en liep me recht voorbij. Mijn lichaam reageerde op een magnetische wijze door een halve draai te maken. Een klein meisje achter me, met grote bruine ogen en een bollig gezicht passeerde me in volle galop. Ze was hooguit vier, maar ze zag er eruit alsof ze de wereld kon veroveren. Ze leek te paraderen op haar gloednieuwe Jordans om vervolgens met een zwierige attitude te vallen in de armen van haar moeder.
‘Judy, ben jij dat?’ vroeg ik terwijl ik het antwoord al wist.
‘Jamila, ik had je niet herkend!’ riep ze verwonderd.
Haar ogen streken meteen neer op mijn buik.
‘Ben je zw…?’
Ze slikte haar woorden terug in. Misschien dacht ze dat ik me al die jaren had laten gaan in Friture René. Telkens als ik een goed rapport had, gingen we daar eten met mijn ouders. Judy mocht altijd mee. We deelden dan een portie heerlijke mosselen met goudgekleurde frietjes. Bij René was het altijd feest.
‘Ja, ik ben zeven maanden zwanger,’ zei ik geruststellend.
We moesten lachen, omdat we elkaars gedachten konden lezen.
‘Mama, wie is dat?’ vroeg haar dochter.
Ze was curieus, maar niet erg onder de indruk van de situatie.
‘Kijk Jamila, dit is de vriendin van mama waar ik je naar vernoemd heb. Zij was de allerliefste en mooiste vriendin die mama ooit gekend heeft.
’Het meisje bleef me aanstaren alsof ik een nieuw, maar gevaarlijk speeltje was. Ze had een innemende glimlach, die ze duidelijk van haar mama geërfd had. Een warme gloed hield mijn hart vast.
‘Heb je dit lief meisje naar mij genoemd?’
Woorden stapelden op in mijn keel, maar vonden geen uitweg.
‘Ik weet niet wat te zeggen,’ zei ik ontroerd.
Mijn binnenste werd even door elkaar geschud.
‘Waarom draag je mama haar jas?’ vroeg het meisje opmerkzaam.
Het rood op mijn wangen voelde deze keer nog vuriger aan.
‘Ik kom net van de crèche en in de supermarkt had ik pas door, dat ik per ongeluk een andere jas had meegenomen. Toen ik dit briefje las dacht ik in mezelf: le ciel s'écroule!’ Ik hield het briefje in de lucht alsof het bewijsmateriaal was.
‘Wat een gek toeval allemaal. Ik ben daarstraks mijn zoontje gaan halen van de kinderopvang. Toen ik wou vertrekken zag ik dat mijn jas verdwenen was. Hij staat je goed,’ complimenteerde Judy.
‘Bedankt, maar ik begrijp nog steeds niet hoe je kon voorspellen dat ik hier om 17u30 in de supermarkt zou verschijnen met je jas.
’Judy was altijd iets sneller van begrip dan ik, maar ze had het geduld van een engel.
‘Ik moest Jamila om 17u30 ophalen bij de babysit. Ze woont hier boven de supermarkt. Ik schrijf altijd zulke briefjes naar mezelf. J'oublierais ma tête si elle n'était pas attachée à son cou.’ lachtte ze.
‘Je bedoelt dat dit briefje, dat zo even mijn wereld op zijn kop zette, niet meer is dan een vergeet-me-nietje?’ vroeg ik verrast.
‘Jamila, dit briefje is niet zomaar een vergeet-me-nietje. Dit briefje is hét vergeet-me-nietje,’ antwoordde ze.
‘Het is ons loterijbriefje! Het lot heeft ons hier samen gebracht. Vind je niet?’
Haar dochter werd stilaan ongeduldig.
‘Mama gaan we naar huis? Ik heb koppijn aan mijn voeten.’
‘Ik woon in die blok daar.’ Judy wees richting het appartementsgebouw naast de mijne.
‘Wat? Wij zijn buren, ma copine!’ riep ik iets te enthousiast.
‘Wij zijn méér dan buren. Kom je vanavond langs rond 20u, als de kinderen slapen? Breng mijn jas mee,’ zei Judy.
‘Heel graag!’
We namen afscheid en ik kuste Jamila alsof ik heel wat kussen in te halen had. Ze liet me toe, maar enkel omdat ze snel naar huis wou, zodat ze haar nieuwe schoenen uit kon doen. De volgende ochtend kreeg ik een telefoontje van de kinderopvang met het goede nieuws dat er plaats was voor mijn zoontje en met de vraag of ik een donkerblauwe jas vergeten was.
*Kstoené pracees voe den ond zaan kluute. Brussels dialect voor: Ik sta hier precies voor de hond zijn kloten. De kassierster probeert duidelijk te maken dat ze blijkbaar voor niks staat te wachten.
Klant: King of Hearts
(Online publicatie A'RIVE 2021).